Geen categorie

Reactie van Martin Stoelinga op rapport Berenschot

Ik heb mij verbaasd hoe de gemeente en de commissaris van de koningin het rapport weer hebben geprobeerd te spinnen. Het circus gaat gewoon door.

Verkerk zou door Berenschot integer zijn bevonden. Dat valt nergens in het rapport terug te vinden.

Wel concludeert Berenschot dat niet kan worden vastgesteld dat Verkerk op de Baljé tapes in strijd met de geldende norm heeft gehandeld. Dat is iets heel anders dan een verklaring dat Verkerk integer heeft gehandeld.

En op de constatering dat op grond van de tapes niet kan worden geconcludeerd dat Verkerk in strijd met geldende normen heeft gehandeld valt ook nogal wat af te dingen.

Een voorbeeld: Berenschot vindt dat Verkerk niet in strijd heeft gehandeld met geldende normen omdat er geen bewijs is dat er vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt over de grondtransactie. Dat geeft blijk van een wel heel ruime lezing vabn het begrip integriteit. Wethouder Baljé (Delft) belde met wethouder Verkerk (Den Haag) met de vraag of hij wist of de gemeente Den Haag interesse had in een stuk land van een ‘vriendje’ van hem, de bekende vastgoedhandelaar Zegwaard.

Op dat moment had Verkerk het gesprek meteen moeten afkappen. Hij had moeten zeggen dat hij een evident tegenstrijdig belang had en natuurlijk geen informatie kan geven ten behoeve van een onderhandelingspartner van zijn eigen gemeente omdat dat tegen de gemeente gebruikt zou kunnen worden. Dat al bekend was dat er interesse was in het stuk grond, zoals Berenschot veronderstelt, doet niet ter zake. Waarom vraagt Baljé het dan? Uit het feit dat Zegwaard en Baljé naar die informatie vissen blijkt toch al dat het voor hen wel waardevol is? En op dit punt moet je als bestuurder toch iedere schijn van belangenverstrengeling vermijden? Dat staat toch buiten kijf? Kennelijk niet. Ook al was bekend dat er interesse was, als bestuurder hoor je geen informatie te verstrekken die je gemeente kan benadelen; daar dien je verre van te blijven.

Wat er ook zij over de conclusies over Verkerk persoonlijk, vanuit de gemeente is zorgvuldig vermeden te praten over de daadwerkelijke pijnpunten in het rapport van Berenschot.

De conclusies zijn immers spijkerhard: het College had Baljé nooit mogen steunen in zijn procedures tegen mij. Het college is daarbij zelfs zover gegaan dat de gemeente partij is geworden aan de zijde van Baljé in de procedures die zijn aangespannen tegen mij. Ik kan u vertellen dat de gemeente in de correspondentie met mij altijd keihard ontkent heeft iets te maken te hebben met de door Baljé aangespannen procedures. Dat was de belangrijkste reden om mijn claim op de gemeente af te wijzen. Berenschot bevestigt het ongelijk van de gemeente.

En de gemeente werd dus partij in een procedure tussen haar eigen bestuurder en mij, gemeenteraadslid en een onderdeel van diezelfde gemeente, omdat ik het wangedrag van iemand uit hun midden aan de kaak durfde te stellen. Dat werd keihard afgestraft. De gemeente zat achter een reeks procedures, zo stelt Berenschot vast, waarin uiteindelijk zowel het Gerechtshof Den Haag als de Hoge Raad hebben bevestigd dat er voldoende feitelijke steun was voor de beschuldiging van corruptie aan het adres van die bestuurder. Ook de uitkomst van die jarenlange juridische strijd, waaraan ik bijna kapot ben gegaan, heeft de gemeente geprobeerd te spinnen: ik had alleen maar gewonnen omdat de uitingsvrijheid voor politici bijna ongelimiteerd is. Dat is klinkklare onzin. Nogmaals, zowel Hof als Hoge Raad zijn tot de hebben de feiten bekeken en de beelden gezien en kwamen tot de conclusie dat een beschuldiging van corruptie weliswaar zeer ernstig is, maar dat die beschuldiging voldoende werd gesteund door de feiten en ik dit dus terecht aan de kaak stelde.

Berenschot bevestigt dat de gemeente in strijd heeft gehandeld met de beginselen van behoorlijk bestuur en Berenschot bevestigt dat de gemeente verantwoordelijk is voor het feit dat Baljé mij juridisch vervolgde. Daarmee bevestigt Berenschot dat de gemeente inderdaad aansprakelijk is voor de schade die ik heb opgelopen door die jarenlange procedures die mijn leven en dat van mijn familie heeft beheerst. Hierna een paar belangijkre constateringen van Berenschot op een rijtje:

1. Het interne onderzoek van de gemeente was geen onderzoek maar een ‘quick scan’ (p. 56 – citeren). Berenschot maakt gehakt van dit interne ‘onderzoek’ en constateert dat dit een schending oplevert van het onafhankelijkheidsbeginsel en dat het op onzorgvuldige wijze uitgevoerd, want (p. 57):
Onderzoek naar corruptie had door externe partij moeten gebeuren;
Bevragen ambtenaren had in veilige omgeving moeten gebeuren, niet door een leidinggevende;
Slechts gesloten vragen gesteld en geen gespreksverslagen gemaakt.
Een van de meest betrokken ambtenaren is niet gehoord.
Hoewel mijn column aanleiding was voor het onderzoek is er nooit aan mij gevraagd naar de feiten die aan mijn “beschuldiging” ten grondslag lagen;
En het belangrijkste: de filmbeelden van Baljé, die de aanleiding waren voor de beschuldiging, zijn niet bij het interne onderzoek betrokken.

2. Hoewel er meer en meer informatie kwam die bevestigde dat het rapport onzorgvuldig was blijft het college tot op de dag van vandaag vasthouden aan de juistheid van het rapport (p. 58); als het College in de herfst van 2005 dan toch erkent dat ze misschien de schijn van partijdigheid heeft gewekt, legt ze aan de gemeenteraad de vraag voor of er niet toch een extern onderzoek moet komen. Dat terwijl het College hier zelf toe had moeten besluiten; het was immers het College dat verantwoordelijk was voor het onzorgvuldige rapport.

3. Verkerk en de gemeente waren partij in de juridische strijd tussen hun wethouder en gemeenteraadslid Stoelinga (p. 62), waarin Baljé een bedrag van ruim anderhalf miljoen Euro van mij vorderde. Ook dat is in strijd met het beginsel van zorgvuldigheid en onafhankelijkheid. Zij kozen partij voor hun collega Baljé, onder meer door Baljé financieel te ondersteunen voor zijn juridische strijd tegen Stoelinga en Leefbaar Delft. Dat hadden zij niet mogen doen.
Wat het nog kwalijker maakt is het feit dat Verkerk en het College al bezig waren met juridische stappen tegen Stoelinga nog zelfs voordat hun eigen interne onderzoek was beëindigd. De belangen van het gemeenteraadslid zijn niet of onvoldoende meegewogen. Ik wijs erop dat ongeveer een derde van de vordering van Baljé op mij, bestond uit een bedrag dat in opdracht van de gemeente van mij werd gevorderd. Het ging om een bedrag van ruim € 400.000,-, bestaande uit de € 206.221,61 aan juridische kosten en het wachtgeld van € 198.000,-. Baljé legde, wederom mede namens de gemeente, voor de genoemde 1,4 miljoen bedrag onder mij op mijn gehele vermogen, op mijn woonhuis, mijn auto, mijn inboedel, op alles dat los en vast zat. Op de verjaardag van mijn vrouw kwam de deurwaarder langs om de inboedel op te nemen en daar beslag op te leggen.
Toen er geschillen ontstonden over dwangsommen, heeft Baljé meerdere keren gedreigd over te gaan tot executoriale verkoop van mijn persoonlijke spullen. En nogmaals, Berenschot stelt terecht vast dat de gemeente meestreed aan de zijde van Baljé. Ik verzoek de gemeenteraad stil te staan bij het intimiderende effect hiervan op een lid van de oppositie, dat, zoals inmiddels in rechte in vier instanties is bevestigd, op rechtmatige wijze kritiek uitte richting een bestuurder. Die handelde in het publieke belang en wees op het volkomen onacceptabele gedrag van een wethouder.
Het werd voor mij bijna onmogelijk mijn advocaat te betalen en om mijn politieke werk te doen. Het beheerste mijn leven. Mijn partij viel als gevolg hiervan uiteen en ik werd gedwongen een nieuwe partij starten. Er ontstonden begrijpelijkerwijs spanningen binnen mijn familie en mijn familie en ik leden er mentaal en fysiek zwaar onder.

4. Berenschot stelt vast, en ik citeer nu p. 62 van het rapport: “Het college heeft door haar uitingen naar ons oordeel de verantwoordelijkheid genomen voor het aansprakelijk stellen van de heer Steolinga door de advocaat van de heer Baljé op 19 mei 2005.” Nota Bene: Verkerk en het College ondersteunden een wethouder in zijn procedure om Stoelinga de mond te snoeren. Een procedure waarin uiteindelijk zowel het Gerechtshof Den Haag als de Hoge Raad, zo merkt ook Berenschot terecht op (o.a. p. 45 rapport), hebben bevestigd dat er wel degelijk voldoende feitelijke steun was voor de beschuldiging van corruptie. Opmerkelijk is ook dat de gemeente dit nooit heeft opgepikt en altijd achter haar constatering is blijven staan dat er met Baljé helemaal niets aan de hand was.

Dat zijn zeer ernstige constateringen. Dit zou de gemeente tot inkeer moeten brengen en tot het besef dat ze mij schadeloos moeten stellen. Al heb ik daar gezien mijn ervaringen weinig tot geen vertrouwen in.

Gelukkig hoeven we na het lezen van het rapport niet te stemmen over de vraag of aanblijven van de burgemeester wel gewenst is voor Delft. Het is duidelijk hoe de Delftenaren hierover denken. Dat hij solliciteerde naar een functie bij de Rekenkamer geeft ook al aan, dat hij zichzelf ook al die vraag gesteld had met eigen overwegingen. Een motie om de raad die vraag nu wel te stellen vindt Onafhankelijk Delft op dit moment dan ook niet nodig.

Tot slot voorzitter: het beeld van Vrouwe Justitia aan de voorkant van het stadhuis heeft geen blinddoek. Betekent dit, dat elders recht gesproken wordt zonder aanzien des persoons, maar dat men in Delft eerst even de persoon zelf aankijkt voordat men recht spreekt?

Martin Stoelinga

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *